‘Versobering bedrijfsopvolgingsregels noopt familiebedrijven tot keuze’

Redactie Baaz
Ongeveer 6 op de 10 Nederlandse bedrijven is familiebedrijf. Met een omzet van 403 miljard euro en leverancier van 2,5 miljoen werknemers banen, vormen familiebedrijven een belangrijke schakel in onze economie. De huidige omstandigheden en mogelijk nieuwe wetgeving kunnen bij bedrijfsoverdracht veel economische impact hebben.

In een kamerbrief van 28 oktober 2020 onderschrijft staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken en Klimaat dat familiebedrijven een krachtige motor van onze economie zijn. Maar toch ligt er een plan om de huidige regels voor bedrijfsopvolgers te versoberen of zelfs af te schaffen. Met als gevolg dat bedrijfsopvolgers meer belasting gaan betalen, waarschuwt Peter Pleijsant, specialist van het Kenniscentrum van ABN AMRO MeesPierson. 

Ondanks de goede woorden van staatssecretaris Keijzer neemt de urgentie bij de afweging om het bedrijf over te dragen aan de volgende generatie toe. Uit recent onderzoek van adviesorganisatie RSM en Nyenrode Business Universiteit blijkt namelijk dat het rapport ‘bouwstenen voor een beter belastingstelsel’ voor 44 procent van de familiebedrijven aanleiding is om meer haast te maken met de overdracht van het bedrijf naar de volgende generatie. 

De BOR

Bij schenking en vererving van een bedrijf zorgt de ‘bedrijfsopvolgingsregeling’ voor de schenk- en erfbelasting (BOR) er onder voorwaarden voor dat de bedrijfsopvolger bij schenking van het bedrijf minder of geen schenkbelasting betaalt, bij vererving minder of geen erfbelasting. Degene die het bedrijf overdraagt, kan onder voorwaarden gebruikmaken van de ‘doorschuifregeling’ in de inkomstenbelasting. “Hierdoor kan de overdrager bij schenking of overlijden de inkomstenbelastingclaim over het ondernemingsvermogen doorschuiven naar de bedrijfsopvolger”, vertelt Peter Pleijsant, specialist bij ABN AMRO MeesPierson. “Een andere beleidsoptie heeft betrekking op het inperken of afschaffen van deze doorschuifregeling.” 

De BOR-vrijstelling bestaat uit een aantal onderdelen. “Zo is er een 100 procent vrijstelling voor het verschil tussen de liquidatiewaarde van de onderneming en de waarde onder de aanname dat deze wordt voortgezet. Dit noemen we in vaktermen de waarde going concern. Die vrijstelling is van belang voor bedrijven met relatief veel vaste activa en een laag rendement, zoals agrarische bedrijven of in de detailhandel. In 2020 is er een vrijstelling van 100 procent van de (lagere) waarde going concern, tot een bedrag van 1.102.209 euro van de waarde van de onderneming en 83 procent van de overige ondernemingswaarde”, schetst Pleijsant. “Volgens één van de voorgestelde beleidsopties kunnen beide percentages worden verlaagd naar 25 procent met een aftopping op 5 miljoen euro aan ondernemingsvermogen, of zelfs helemaal worden afgeschaft.”

Struikelblok

De BOR voorkomt zo veel mogelijk dat de bedrijfsopvolger veel geld aan het bedrijf moet onttrekken om de schenk- of erfbelasting te betalen die zonder vrijstelling is verschuldigd bij bedrijfsoverdracht. “Het bedrijf kan dan gemakkelijker voortbestaan na bedrijfsoverdracht. De BOR zorgt zo voor continuïteit”, vervolgt Pleijsant. Bedrijfsopvolgers die de BOR willen toepassen, zullen er overigens wel voor willen zorgen dat zij deze optimaal benutten. Hierin kunnen knelpunten zitten die discussies kunnen opleveren met de Belastingdienst.

“Als er vastgoed in het bedrijf zit, kan er over het onderscheid tussen ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen discussie ontstaan. Op het ondernemingsvermogen is de BOR wel van toepassing en de het beleggingsvermogen niet”, legt Pleijsant uit. “Daarbij ontbreken duidelijke criteria waardoor afbakeningsproblemen nog steeds voor onduidelijkheid zorgen. Ook leveren uitspraken van belastingrechters vooralsnog geen eenduidig beeld op.” 

De voorwaarden van de BOR vormen vaak een struikelblok voor ondernemers. “Zo moet onder andere de onderneming na schenking of vererving ten minste vijf jaar worden voortgezet. Het bedrijf kan dan geen veranderingen aanbrengen die belangrijk zijn voor de uitoefening van het bedrijf. Dit betekent onder andere dat (familie)bedrijven niet zomaar het roer kunnen omgooien. Als de bedrijfsopvolger namelijk binnen deze voortzettingsperiode stopt met de onderneming en een nieuwe onderneming begint, raakt de bedrijfsopvolger het belastingvoordeel van de BOR in principe kwijt. Het is dan ook belangrijk om ook over de activiteiten na de bedrijfsoverdracht tijdig fiscaal advies te vragen aan een fiscaal adviseur. We merken dat vooral familiebedrijven deze ontwikkelingen meenemen in hun overwegingen rondom bedrijfsoverdracht aan de volgende generatie.” 

Verdeeldheid onder familiebedrijven 

De huidige onzekerheid rondom de versobering of afschaffing van de BOR houdt veel familiebedrijven in twijfel. Ongeveer de helft van hen geeft aan dat zij de bedrijfsoverdracht gaan uitstellen als de BOR wordt afgeschaft. De rest voelt zich juist genoodzaakt om de bedrijfsoverdracht toch maar eerder in gang te zetten. “Het natuurlijke moment van de bedrijfsopvolging doorschuiven, kan een negatieve invloed hebben op het bedrijfsresultaat. Mocht er frictie ontstaan tussen de huidige ondernemer en de beoogd bedrijfsopvolger, dan komt dit de sfeer binnen het bedrijf en op de werkvloer niet ten goede. Medewerkers voelen dit vaak haarscherp aan. Mocht de beoogd bedrijfsopvolger uiteindelijk zijn of haar eigen plan trekken, kan óók dat zijn negatieve weerslag hebben op het bedrijfsresultaat”, legt Pleijsant uit. “Hoewel het vanuit fiscaal oogpunt verstandig kan zijn om de bedrijfsoverdracht te vervroegen, moet dit in de eerste plaats natuurlijk wel passen bij de wensen van de vertrekkende ondernemer en de bedrijfsopvolger. Daarnaast is het belangrijk om ook de belangen van het bedrijf en zijn werknemers mee te wegen in het besluit om de bedrijfsoverdracht te vervroegen of juist uit te stellen.”

 

afbeelding van Redactie Baaz

Redactie Baaz | Redactie

Bekijk alle artikelen vanRedactie